Bio-energetische benadering van depressie en boulimia
Drs. N.J. Zimmermann
“Vroeger was ik zo slank als mijn dochter”, zei de volumineuze dame tegenover mij. Ik kon me er moeilijk iets bij voorstellen. Ze had net als Pavarotti eigenlijk meerdere zetels nodig. “Ik kan het eten maar niet laten”, ging ze verder. “Ik word er zo depressief van!” “Het spijt me mevrouw, dat ik u moet corrigeren, maar ik denk dat u depressief bent en daarom eet u zoveel.” Mijn bewering viel niet in goede aarde. Per slot, zij was toch al behandeld voor depressie met gesprekken!
Ervaringen, ideeën, indrukken, confrontaties; nieuwe gegevens worden opgenomen. De maag weigert of aanvaardt en geeft haar inhoud door aan de twaalfvingerige darm. Deze vertegenwoordigt het verdere aftasten of verwerken. Durf ik het allemaal aan mijn diepste over te laten, aan mijn “onbewuste”? (Christine Beerlandt, 1994)
Als de “maag weigert” dan is er sprake van angst. Er is een synergetisch effect tussen angst en de productie van het hormoon CCK (Cholescystokenine), dat als neurotransmitter werkt in de hersenen (zie “Bio-energetische benadering van angst”, Arts en Apotheker nr. 2, 1999) Angst triggert een overproductie van CCK die op haar beurt zorgt voor het afremmen van inname van voedsel. De sphincter van de maag sluit zich. Ik kan dus de indrukken niet aan en eet niet of gooi het er weer uit (purgeren).
Bij de depressieve cliënt, bijv. de dysthyme patiënt (DSM IV), zien we dat er twee mogelijkheden zijn m.b.t. eten: 1) slechte eetlust of 2) een teveel eten. Veelal zien we dat er in de aanloop van de depressie te veel wordt gegeten en wanneer de depressie zich gedurende langere tijd voortzet, neemt de eetlust af mede door de toegenomen inertie. In tegenstelling tot de angstige cliënt, durft de depressieve cliënt de “nieuwe” ervaringen wel aan, tracht –tegen beter weten in?- te aanvaarden, maar raakt gaandeweg gefrustreerd. Frustratie, de kern van de depressie, (zie”Kind en depressie”, Arts en Apotheker nr. 1, 1999) levert stress op en stress zet het lichaam aan tot productie van het stress-hormoon glucocorticoïde. De pancreas reageert, de insulineproductie stijgt en de eetbehoeft is een feit. Aangezien in deze situatie angst geen primaire rol speelt, blijft de CCK-productie normaal. CCK heeft geen remmende werking op de eetlust, maar wel op de lengte van het maal; het voedsel dat in de maag zit geeft eerder het gevoel van verzadiging (Asnis et al, 1995), maar bij een grotere behoefte aan eten is het remmend effect nihil.
De “grande dame” in kwestie was gefrustreerd. Ze had er ook alle reden toe. Haar persoonlijke omstandigheden waren ronduit beroerd. Haar lichaam vroeg dientengevolge om snelle verbranders, had snelle energie nodig om de hersenen te steunen in hun zoektocht naar stoffen (bijv. L-tryphophanum) die de opbouw van neurotransmitters steunen en suikers (glucose), één van de brandstoffen voor de “hersenmotor”. Tja, en hoe stop je dan met eten? Anders in ieder geval dan de rat, deze stopt pas als de esophagus vol loopt en ademen niet meer mogelijk is. Een advies om dit na te volgen zou desastrueze gevolgen hebben.
Uit bovenstaande moge blijken dat er een relatie bestaat (functionele psychologie) tussen “vraatzucht”, de z.g. boulimische reactie en depressie. Over de aanpak van de depressie kan geen misverstand bestaan. Om het biologische aspekt aan te pakken kunnen natuurmiddelen worden (zie ook het eerder genoemde “Kind en depressie”). Dat is een uitstekend alternatief voor de groep van Selectieve Serotonine Re-uptake Inhibitors (zgn. SSRI’s, fluoxamine, fluoxetine, e.a.). Ook om de stofwisselingsproblematiek van boulimia met een natuurmiddel te beïnvloeden. Indien er dus cliënten zijn die zowel depressief als boulemisch zijn, is het raadzaam natuurmiddelen in te zetten.
